Direct naar de inhoud

Eigen column8 september 20265 min leestijd

Olifantenpad

Waarom ervaren hulpverleners vaak op bekende paden blijven lopen, hoe nieuwe herkenningspatronen ontstaan en waarom juist beginnende collega’s soms de andere verklaring zien.

  • Psychiatrie
  • Medische vooroordelen
  • Zorgsysteem
Het geitenpaadje, dat weer een nieuw olifantenpad kan worden. Naast het al bestaande pad.

Hoewel ik dit verhaal liever ‘geitenpaadjes’ had genoemd – gewoonweg vanwege de vrolijke, avontuurlijke naam – blijkt voor wat ik beoog te zeggen ‘olifantenpad’ een betere titel. Ik heb het opgezocht.

Een olifant gaat dwars door de jungle op zijn doel af. Gewoonweg omdat het de kortste route is, vandaar de naam. De meest logische weg overigens – zeker als je weinig tijd hebt. Een geitenpaadje is dus die weg die er nog niet was, moeilijk begaanbaar. Je moet er je best voor doen om er doorheen te ploegen. Het is duidelijk niet de voor de hand liggende route. Niet je voorkeursroute…

Ik meen dat het Swaab was die uitlegde dat een kunsttaxateur in één oogopslag ziet dat het schilderij een vervalsing is. En dat de argumentatie pas nadien volgt. Maar corrigeer me vooral, ik vond het niet terug wie het besprak. Hoe dan ook, het narratief volgt op wat het brein herkent.

Toen ik al echt lang in het forensisch werk zat, begon ik bij Vesalius te werken. Een polikliniek voor mensen met hersenletsel die helaas inmiddels gesloten is. Voor ik startte liep ik een dagje mee. Ik woonde een consult bij van de GZ-psycholoog die daar al jaren werkte. Toen de patiënte de kamer had verlaten, liet ik me – al doordenkend over haar – weifelend ontvallen dat ze me toch ook wat hypomaan leek. De psycholoog zei vriendelijk maar kordaat: ‘Ja. Of ze is wat ontremd bij haar hersenletsel’.

Die opmerking was voor mij het begin van een leerproces. Niet eens een denkproces, want dat impliceert echt te veel bewustzijn hierover, gedachten. Nee, een veel trager proces dan dat. Een proces dat zich ongemerkt voltrekt – buiten het bewustzijn om – doordat je vaker een zelfde soort klachten of combinatie aan klachten tegenkomt bij mensen.

En bij elke volgende patiënt (her)kent je brein deze klachten makkelijker. Daar sta je – althans je ‘bewuste jij’ – eigenlijk los van. Je merkt dat niet, het gebeurt. Er ontstaat een nieuw herkenningspatroon.

De makkelijkste vergelijking is die met een nieuw setje kleuren dat je hebt toegevoegd aan je verfpalet. Soms kan je het met het nieuwe setje af. Vaker meng je ze met nog een paar kleuren die je al had. Of zelfs met je hele oude setje.

Dit is – volgens mij – ook de reden dat het lastig is uit boeken te leren dat je nog niet werkelijk hebt ontmoet. Zelfs al staat er heel duidelijk in het boek om welke klachten het gaat die samen voorkomen. Hoe vreemd dit ook klinkt. Dan moet die bewuste kennis wel heel erg paraat staan. Het verklaart ook waarom juist beginnende collega’s wel plots die andere verklaring zien terwijl de professor het niet ziet. Zij hebben nog geen vaste herkenningspatronen. En ze hebben nog verse, parate kennis over een breder palet aan symptomen en problematiek. Waardevol dus!

Even terug naar die ervaren collega; die loopt al heel lang op dat oude pad. Dat pad loopt gewoon nog steeds een stuk gemakkelijker. Daar ken je de weg, het gaat vanzelf. Bij een nieuw pad weet je niet altijd of het klopt. Welke pijlen horen wel of niet bij de route? Welke kant moet je op en waar moet je nog meer op letten?

Zo weet iemand die nog niet veel te maken heeft gehad met mensen met hersenletsel vaak niet dat het kan lijken alsof mensen nog veel kunnen. Simpelweg op basis van welke indruk ze wekken in de spreekkamer. Ze weten niet dat hun intelligentie of coping-strategieën veel kunnen compenseren. Of zelfs hoe zelfstandig ze zich presenteren terwijl het tegendeel waar is. Bijvoorbeeld omdat ze een beperkt inzicht hebben in wat ze kunnen. En soms lukken dingen ook nog wel, maar kost het meer of zelfs grote moeite. Dit eist vaak zijn tol. Omdat mensen continu overvraagd raken. Maar soms is hun intelligente indruk slecht te rijmen met dat wat ze vertellen dat ze allemaal niet kunnen; het wordt dan haast ongeloofwaardig.

Dat leer je begrijpen als je genoeg met deze mensen te maken hebt gehad en nieuwsgierig blijft naar hun antwoorden of aanvullingen op je vragen over wat ze vertellen dat ze niet kunnen. Familie kan dit vaak goed toelichten: wat er nu anders verloopt, misgaat of niet meer gaat.

Met andere woorden: je moet genoeg mensen ontmoeten die de klachten hebben om het patroon te leren (her)kennen. Je brein ‘ziet’ het dan sneller. Dat werkt – denk ik – goed voor een kunsttaxateur. Maar in de zorg is dit een probleem, want als je die patiënten te weinig uit eigen ervaring kent, kan je er flink de mist mee ingaan. En dat maakt alles uit voor of je hen helpt. Of (juist) niet!

Want zolang je dat andere patroon (je oude olifantenpad) veel beter kent – en het nieuwe nog niet of onvoldoende – zal je bij mensen met hersenletsel de concentratieproblemen en impulsiviteit blijven denken aan de classificatie ADHD. Je zal het maar blijven doorpraten zien als symptoom van hypomanie. De emotionele grilligheid – die zo goed past bij overvraging of gebrekkige impulsremming – zien als iets dat toch echt bij ‘borderline’ past. Zelfs als er van de hierbij behorende dynamieken in relaties helemaal geen sprake is. En ook als deze klachten pas rond je vijftigste zijn ontstaan, zo rond de menopauzeleeftijd. Betrekkelijk laat natuurlijk, voor het label ‘persoonlijkheidsstoornis’, waarvoor dit patroon door het leven heen waarneembaar moet zijn.

Waarom gebeurt dit? Ik denk omdat je brein efficiënt probeert te werken. Waardoor het geneigd is die discongruenties voor je op te lossen, buiten spel te zetten. Dat wat niet past, heeft minder betekenis voor je duiding van de klachten. Dat is dan interindividuele variatie, meer niet. Dit gebeurt onbewust en niet moedwillig. Niet helpend is als je nauwelijks tijd hebt stil te staan om jezelf hierop te bevragen. Waarom zou je een oud, automatisch en lekker lopend pad verlaten als je anders een nieuw pad moet opgaan dat nog best een uitdaging is?

Hoe dan ook, het gaat erom een ander perspectief op hetzelfde – of in ieder geval: vergelijkbare – gedrag of dezelfde klachten te ontwikkelen. Een extra of alternatieve verklaring. Een nieuw patroon om te leren kennen en te onderzoeken.

Ok, dan toch, komt-ie: het leren kennen van zo’n nieuw patroon is dus eigenlijk dat ‘geitenpaadje’. Het geitenpaadje, dat weer een nieuw olifantenpad kan worden. Naast het al bestaande pad.

Wel snuffel ik altijd graag nog even rond om te kijken of de route wel echt passend is. Of dat ik niet toch die andere, oude moest hebben. Of – vaker – een combinatie van beiden.

Want je kan je voorstellen dat bij mensen die voldoen aan de criteria van ADHD – door hun impulsiviteit en gebrekkige concentratie – een ongeluk in een klein hoekje zit. En dus ook hersenletsel. Iets dat mij bekend was uit de boeken; mensen met ADHD hebben een hogere kans op ongevallen. Toch doorgrondde ik dit pas toen ik in de zorg voor deze mensen met hersenletsel werkte. Dat meestal van beide sprake is.

Je moet je daarom ook niet op de ene of de andere weg blindstaren, maar je bewust blijven dat er meerdere wegen (kunnen) zijn. Meerdere kleuren bestaan voor het palet.

Terug naar alle columns

Gerelateerde columns